Hier zit ik mooi, met onder m’n achterbank een halve kilo zelfkweek en met een koffer vol ranzige amateurporno. Nog een stuk of tien auto’s voor mij, maar rechtsomkeer maken is geen optie: op de tegenoverliggende parking staan twee motorflikken met hun gehandschoende poten aan het stuur en hun linkerlaars op het asfalt, omkranst door een aura van rauw machtsvertoon, hun spiegelende zonnebrillen strak op de aanschuivende colonne gericht; kortom, in likkebaardende staat van paraatheid. De idioot die in het z’n hoofd haalt z’n logge auto uit de rij te manoeuvreren en terug richting Nederland te scheuren, is bij de lurven gevat voor hij de pook in derde versnelling heeft geduwd.

In het midden van de weg zit statig een gestroomlijnde Belgische herder die er met z’n schuddende tong bijzonder goedgeluimd uitziet, alsof hij geamuseerd zit te lachen met het aangename zonnetje op z’n glanzende spekneus, maar z’n spitse oren verraden een onverderfelijke beroepsernst. De behoorlijk minder gestroomlijnde agent die hem bij de leiband heeft wordt slechts af en toe gesommeerd door z’n collega die de auto’s staande houdt en – zo ziet het eruit – een alcoholtest afneemt. Als de corpulente hondenmenner middels een subtiele hoofdknik wordt aangeroepen, waggelt hij met kinderlijke trots tot bij het verdachte voertuig en begeleidt hij vervolgens z’n slanke viervoeter er helemaal rondom heen, wat betekent dat het een canis canabis betreft. Een hoogontwikkeld reukorgaan heb je echter niet van doen om de wietgeur in mijn auto te detecteren, daarvoor volstaat een doorsnee mensenneus ook wel. De geur van de zelfkweek is weliswaar een pak minder penetrant dan die van de echte, zwaar gemanipuleerde nederwiet, maar een halve kilo ruik je altijd en overal.

Die porno krijg ik eventueel nog wel uitgelegd, bij mijn weten is er trouwens niks illegaals aan, maar voor die wiet zal ik hangen, dat lijdt geen twijfel.

Dit soort acties duurt nooit lang, binnen een uurtje hebben ze hun kamp waarschijnlijk opgebroken. Had die verdomde Aart-Jan z’n kwakje nu maar een uur langer in bedwang kunnen houden, of had ik dat bakje koffie maar aanvaard, dan zat ik niet in deze shit. Het lot is in feite niets meer dan de optelsom van een aantal op zich verwaarloosbare details. Exact drie uur en zeven minuten geleden ben ik in tegenovergestelde richting voorbij dit punt gereden. Geen vuiltje aan de lucht, geen enkel voorteken van het onheil dat mij toen al boven het hoofd hing. Want toen, op dat moment, stond het zondermeer vast dat deze agenten hier op dit ogenblijk deze controle zouden organiseren. Zulke acties plant men lang op voorhand, dat kan haast niet anders: personeel voorzien, administratieve voorbereidingen, kegels bestellen, motors opblinken, de hond reserveren en wat weet ik nog allemaal. Dus toen ik hier daarstraks passeerde, was er eigenlijk maar één ding dat ik absoluut niet mocht doen, en dat was drie uur en zeven minuten later terugkeren. Twee uur later: oké. Vier uur? No problem. Maar geen drie uur en zeven minuten.

Door de band genomen ben ik absoluut geen tijdsmens, wat eigenlijk wil zeggen dat ik ten eerste bijzonder weinig om handen heb de godganse dag, en dus eigenlijk een onvervalste lamzak ben, en ten tweede dat áls ik dan eens iets om handen heb, meer bepaald iets waarbij ik word geacht op een gegeven tijdstip op een gegeven locatie te verschijnen, dat ik dan zonder uitzondering ofwel veel te laat, ofwel veel te vroeg opdaag. In elk geval nooit op tijd. Tijdsbesef is iets wat je verleren kan. Op de duur weet je simpelweg niet meer wat er aan handelingen en verplaatsingen mogelijk is binnen een bepaald tijdsspanne en, omgekeerd, hoeveel tijd het vergt om bepaalde zaken gedaan te krijgen of bepaalde afstanden overbrugd.

Enkel als ik iets moet doen wat ik niet graag doe, hetgeen in principe weinig voorvalt, houd ik de tijd erg nauwlettend in de gaten. Vanmiddag bijvoorbeeld, heb ik het verstrijken van de minuten haast obsessief bestudeerd, wat op dit moment m’n frustratie des te erger maakt. Als alles, elk fragment van deze klotenamiddag nu gewoon iets langer had geduurd of juist iets sneller was afgelopen, dan had ik hier nu niet in deze miserie gezeten.

13.06u

Ik lees het uur op mijn ouderwetse gsm en klap hem weer dicht terwijl Aart-Jan binnenkomt. Als een zelfingenomen manager die ruim te laat een vergaderzaal vol wachtende ondergeschikten binnenmarcheert, zo zwierig betreedt hij de groezelig verlichte slaapkamer, maar dan zonder kleren, en met z’n stijve lul recht vooruit priemend in een loodrechte hoek met z’n gladgeschoren onderbuik. Terwijl hij z’n eerder papperig, zonnebankgebruind lijf in een reeks onsmakelijke stretchoefeningen wringt, kreunt hij: ‘Wil je eerst nog een jointje rollen Bob, of beginnen we meteen?’

‘Wat denk je zelf Aart-Jan?’

Bij wijze van antwoord lacht de spiernaakte man z’n schots en scheve tanden bloot, bootst met z’n linkerduim en –wijsvinger een geweertje na, wijst er mijn richting mee uit en trakteert me op een vettige knipoog terwijl hij de denkbeeldige trekker overhaalt.

Ondertussen heb ik uit m’n camerazak al m’n blikken doos tevoorschijn gehaald, die ik vervolgens geopend op m’n knieën plaats. In een vorig leven werd deze doos parmantig in het midden van een krans porseleinen kopjes dampende thee gezet en vervolgens met amper te verstoppen boertige gretigheid leeggeplunderd door verrimpelde rijkeluisvingers, vandaag de dag omvat ze de aangeladen grenzen van een chaotische slagveld vol vloeitjes, verscheurd karton, filtertipjes, tabaksrestjes, wietkruimels en de ontkoppelde onderdelen van een kapotte grinder. Met enig ontzag – steeds opnieuw, het wendt maar niet – neem ik de diepvrieszak die ik net van Aart-Jan heb gekregen in m’n beide handen, en staar er enkele seconden naar. Dan pulk ik het luchtdichte sluitingsbandje open en zoals de traditie het wil stop ik eerst m’n neus erin.

Aart-Jan heeft z’n lichamelijke opwarming achter de rug en ligt nu zijdelings op het kingsize bed op z’n laptop naar luidruchtige, Noord-Nederlandstalige porno te kijken: de mentale opwarming. Achteloos gaat hij met z’n reusachtige, goedverzorgde rechterhand op en neer langs de schacht van z’n rechtopstaande slurf, volkomen geautomatiseerd, zoals een professioneel biljarter die de tic heeft aangekweekt om tijdens het wachten op z’n beurt voortdurend met het krijtblokje over z’n pomerans te gaan.

Terwijl ik aan het rollen ben hoor ik elders in het huis het aanzwellend pletsen van een stel blote voeten op namaakparket. Even later verschijnt ze in de slaapkamer: Allison, tot mijn verbazing gekleed in een kamerjas.

‘Hoi Bob,’ groet ze me hartelijk, en meteen, alsof ze mijn gedachten kan lezen en vindt dat ze die kamerjas moet verantwoorden, voegt ze eraan toe: ‘Brr, koud hier binnen, nietwaar?’

Aan Aart-Jan vraagt ze: ‘Heb je de verwarming aanstaan lieverd?’

Zonder op te kijken van z’n laptopscherm mompelt hij nors: ‘Ja hoor. Het is hier niet koud.’

‘Bob,’ vraagt ze vervolgens. ‘Heb jij het hier koud?’

Ik lik de joint dicht en schud tegelijkertijd van nee, denk bij mezelf: Maar ik zit hier natuurlijk ook niet in z’n adamskostuum.

‘Dan ligt het aan mij’, besluit Allison, ‘misschien ben ik ziek aan het worden.’

Ze knoopt de beige kamerjas los, laat hem zonder ook maar een spat sensualiteit van haar schouders vallen en kruipt op het bed. Haar lichaam is vlezig maar over het algemeen strak en nog bruiner dan dat van haar echtgenoot. Afgezien van de riante bos blonde krullen op d’r hoofd, heeft ze nergens op haar tamelijk uit de kuiten gewassen lijf nog een haarpijl staan. Aart-Jan is volkomen haarloos; hij ziet eruit als een wat uitgezakte Mister Proper, zoals die er zou uitzien moest hij ooit met pensioen gaan en naar Benidorm verkassen om het lekker breed te laten hangen.

Op haar rug gaat Allison naast haar man liggen, haar benen wagenwijd open als op visite bij de vrouwendokter, waarna haar blik onmiddellijk wordt aangezogen door wat zich op het laptopscherm afspeelt. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes en vraagt: ‘Oh, is dat de nieuwe van Jon en Yolande?’

‘Hmm,’ bromt Aart-Jan.

‘Geile donders,’ grolt Allison, terwijl ze met twee vingers van haar linkerhand in haar tentoongespreide klit begin te kneden.

Met de joint tussen m’n lippen neem ik m’n meer dan patente Vixia HF R500 Full HD van Canon uit m’n tas en controleer de batterij en of het SDHC-kaartje op z’n plaats zit. Dan wandel ik traag langs de drie 1000W-spots die op tweemeterhoge tripods in driehoekformatie rond het bed staan opgesteld en die in deze stoffige kamer drie volmaakte kegels van korrelig licht op het kolossale bed werpen. Ik futsel wat aan de bedrading in de dwaze veronderstelling een professionele indruk te wekken, maar eigenlijk staat alles goed, of toch goed genoeg voor deze doeleinden.

13.12u

Het tijdstip flitst tevoorschijn als ik m’n camcorder aanschakel. Het digitale klokje verdwijnt weer wanneer ik hem in opnamemodus zet. Ik selecteer de ingebouwde filter waarvan ik ondertussen weet dat het Aart-Jan en Allisons favoriet is, leg de joint in de asbak op een tafeltje, kijk nog eens de kamer rond en zeg dan: ‘Goed, ik ben klaar.’

Verstoord kijkt Aart-Jan op, schraapt z’n keel en staat op uit het bed met de open laptop in z’n handen. Z’n ogen wijken niet van het scherm terwijl hij het ding op de lage kast bezijden het bed zet.

Enigszins getroebleerd, zo lijkt het althans, keert hij terug naar het bed, z’n lul in z’n rechtervuist geklemd.

Allison, die schijnbaar merkt dat er iets schort, knijpt in de met tribaltattoos versierde bovenarm van haar man, en vraagt: ‘Wat is er, lieverd?’

‘Oh, niets,’ wuift Aart-Jan de vraag weg. ‘Niets, gewoon een beetje onder de indruk van Jon z’n nieuw filmpje.’

‘Ach, Aart-Jantje,’ glimlacht Allison vertederd, ‘je hoeft toch niet jaloers te zijn. Dat kunnen wij toch beter? Kom, laat maar eens zien wat je kan.’

En tegen mij zegt ze: ‘Bob, je hoort het: we willen die twee een poepje laten ruiken, dus doe je best!’

Ik glimlach, knik, ben stoned, wil er gewoon zo snel mogelijk van af zijn.

Aart-Jan en Allison hebben een hekel aan enscenering, ze willen ‘hun liefdesspel gewoon z’n gang laten gang’, wat maakt dat ik van te voren nooit weet waar ik precies aan toe ben. In het slechtste geval gaan ze een hele namiddag door; het uithoudingsvermogen van deze twee seksatleten is onvoorstelbaar. Mijn vergoeding is vastgesteld per opdracht, ongeacht de lengte van de opnames, dus het spreekt voor zich dat ik telkens hoop op een snelle afloop. Uit ervaring weet ik dat er zich in feite slechts twee catastrofale ontwikkelingen kunnen voordoen die de zaken bespoedigen. De eerste is wanneer Aart-Jan zo bronstig komt te staan dat hij the money shot niet langer kan uitstellen, hetgeen jammer genoeg niet vaak voorvalt. De man heeft technieken onder de knie. Dan zie ik hoe hij z’n ogen dichtperst en in verkoelende gedachten verdwaald, of z’n blik stoïcijns op een bepaald punt in de kamer vastpint en met bovenmenselijke wilskracht z’n opstuwende zaad een halt toeroept, en zienderogen trekt dan de knalrode geiligheid uit z’n gezicht weg en kan hij er weer tegen voor een paar uurtjes. Doch af en toe verliest hij z’n zelfbeheersing en dan komt hij vloekend en sakkerend klaar in het zichtbaar teleurgestelde gezicht van z’n vrouw. Ronduit dramatisch wordt het wanneer hij niet eens de tijd of de tegenwoordigheid van geest heeft om z’n kanon in beeld te brengen en de zaadlozing zich roemloos voltrekt in de afgeschermde omgeving van haar kut of kont. Dan is heel de film om zeep, aangezien Aart-Jan en Allison categoriek weigeren om de ejaculatie achteraf apart op te nemen; alles moet in één take gebeuren, daar zijn er ze erg streng in.

De tweede – een die ik hen soms stiekem toewens – is een blessure. Een niet aflatende kramp, een verrekking of een verstuikte lul: het zijn gevaren die voortdurend in de lucht hangen in deze branche. De narigheden die ik al heb aanschouwd… Moest ik het ooit in m’n hoofd halen om een America’s Funniest Home Videos-achtige blooperspecial te maken, ik zou beslist niet om materiaal verlegen zitten.

13.25u

Met een half oog lees ik het uur af van de DVD-speler die iets voorbij het voeteinde van het bed staat, onder een reusachtige bigscreen van Sony. Aart-Jan heeft z’n kop in haar kruis begraven en met zin voor esthetiek walst hij met z’n z’n dikke tong door de opengesperde gleuf van z’n vrouw, terwijl die haar twee handen op z’n grote hoofd legt, haar Barbie-roze nepnagels zachtjes in z’n kale schedel verankerd. Met de camcorder in m’n rechterhand en met m’n linkerarm steunend op het bed hang ik over Allison gebogen en ik zoom in op de hyperactieve spade die de glinsterende vleeshoop bruusk omwoelt. Het sappige, slurpende geluid vult de kamer. Daarna kniel ik neer achter Allison, haar schokkende hoofd tussen m’n benen. Met m’n linkerhand duw ik zachtjes onder haar reeds bezwete schouder om haar duidelijk te maken dat ze zich een beetje moet oprichten. Op die manier krijg ik haar wiebelende memmen, haar op en neer golvende onderbuik en zijn smakkende smoel in een shot, hét klassieke befshot.

Voor een buitenstaander is dit misschien moeilijk te geloven, maar porno filmen is een van de saaiste bezigheden op aard. Technisch gezien zit je volledig gevangen binnen de enge geplogenheden van het genre en los daarvan is neuken, eens je er als niet-participant abstractie van hebt genomen, verschrikkelijk eentonig en bovendien erg lelijk om naar te kijken. Als je te maken hebt met afgetrainde, haarloze adonissen van venten en strakke, gladde godinnen van vrouwen, dan kan je wel een aantal fraaie shots verzinnen die mits een geschikte filter en gesofisticeerde bewerking achteraf een zinnenprikkelende montage kunnen opleveren, maar helaas stoot je in het amateurcircuit niet al te vaak op dergelijke gebeeldhouwde protagonisten.

Let op, met Aart-Jan en Allison heb ik het vandaag absoluut niet al te kwaad getroffen. Allebei zijn ze verschrikkelijk ijdel en hebben ze de hopeloze strijd aangebonden met de onverbiddelijke natuur en de om zich heen grijpende zwaartekracht. Jeetje, dan zitten er een pak minder appetijtelijke koppels in m’n portfolio. Je zou verwachten dat een mens die heeft besloten z’n hoogst intiem gevogel op film vast te leggen, neen, te laten leggen, en niet eens voor eigen gebruik maar werkelijk met de intentie om het aan derden te openbaren – dat zo’n mens ten minste probeert om z’n lijf oppervlakkig op te kalefateren tot een enigszins vertoonbaar iets, maar neen. Werkelijk braakwekkende schepsels heb ik in en over elkaar zien kronkelen, de meest onwelriekende holtes en de meest verschilferde huidplooien heb ik in mijn zoemende Canon geabsorbeerd, om ze dan achteraf met vermoeide ogen en huiver over heel m’n lichaam in walgelijk detail opnieuw te moeten aanschouwen op m’n 27inch computerscherm. Want de service die ik deze mensen aanbied, bestaat er niet gewoon in om hen ruwe opnames van hun vleselijke wanpraktijken af te leveren, maar wel een mooi afgemonteerde HD-film met digitaal stereogeluid én, jawel, aftiteling.

13.36u

Het wordt me als een ontegensprekelijke waarheid in het gezicht gespuwd door achttien rode stokjes op de display van de digitale wekkerradio naast het bed. Ondertussen zijn ze bij het pijpen aanbeland, zeg maar het traditionele tweede luik van de prelude. Allison excelleert op dit vlak, tenminste naar mijn bescheiden mening, die ten andere ondertussen wel gestoeld is op een honderdtal filmuren. Wat ik cinematografisch interessant vind is hoe de spieren in haar ranke hals gewelddadig opbollen terwijl ze de dooraderde lat van haar echtgenoot tot diep in haar keelgat doet glijden. Vandaar dat ik deze scene bij voorkeur vanuit kikkerperspectief film, ook al moet ik me daarvoor ongemakkelijk tussen de twee hijgende lijven wringen. Later neem ik nog wel een shot van bovenuit, maar aan Allisons uitpuilende ogen die langzaam vollopen van het onderdrukte kokhalzen vind ik weinig aan. Dat beeld is me te brutaal, neigt te veel naar puur misbruik en lokt eerder weerzin uit dan lust. Zeker wanneer Aart-Jan dadelijk z’n beide handen over haar blonde kruin zal spreiden en ruw in haar mond zal stoten, daarmee z’n vrouw objectiverend tot een warme bowlingbal met een extra groot duimgat. Als ik het langs onder film, stel ik Allison centraal, de wellustige slang die haar man met huid en haar wil verslinden. Ik kan het niet laten een paar seconden super close in te zoomen op een parelende zweetdruppel die met onvoorspelbare schokjes langs haar nekspier tot op haar linkerborst stuitert. Dat zal de cut nooit halen, maar fuck it, het was te mooi om te laten schieten.

Hoe ik in hemelsnaam in deze aberrante business ben verzeild geraakt, is simpel: via internet. En waarom? Uit pure geldnood. Een steuntrekkende pineut als mij moet immers iets doen om de eindjes aan elkaar te knopen. Met huwelijksfeesten of communiekiekjes valt amper een habbekrats te verdienen en bovendien is de markt zo verzadigd als de pest. Ze zijn simpelweg met te veel, de werkloze sukkelaars met een audiovisuele opleiding. Elke achttienjarige die het in z’n domme, verbeeldingsrijke kop haalt om zich in te schrijven aan het Ritz of het Sint-Lucas zou best eerst een dagje met mij op de hort gaan, of nee, een hele week. Zien in wat voor kruipkot ik leef, wat ik eet – of liever: wat ik allemaal niet eet, wat voor lorren er in mijn kleerkast hangen, hoe ik mij van de ene kleinerende sollicitatie naar de volgende begeef, hoeveel motivatiebrieven ik in mijn klavier ram, hoe vaak ik m’n computermuis tegen de muur kapot keil omwille van de onophoudelijke stroom afwijzingen die mijn mailbox overspoelt, hoeveel uren ik wroetend wakker lig, en hoeveel uren ik spendeer zoals nu, gehurkt voor een vreemd bed waarop een veertigjarige vrouw het bruinrode scrotum van haar echtgenoot aflikt terwijl ze zich gewillig tegen haar opgespoten tieten laat meppen.

Nu moet ik wel eerlijk bekennen dat ik een tijd terug een niet te onderschatten voordeel heb ontdekt van deze schaamtevolle bijverdienste. Lui die believen een amateurfilmmaker in te schakelen om hun perversiteiten wereldkundig te maken, doen dat doorgaans via daartoe speciaal opgerichte internetfora. Goed verstopte sites waar zowel de vraag- als de aanbodzijde zoekertjes kan plaatsen, uiteraard geheel anoniem. Een logische vereiste van beide partijen is enige geografische afstand. Aart-Jan en Allison bijvoorbeeld zouden liever niet willen dat het heerschap dat met camera in de hand aan de voordeur verschijnt toevallig de zoon van de lokale slager is waar zij vaste klant zijn, en andersom zou ook ik me niet volkomen op m’n gemak voelen moest ik oog in oog komen te staan met de harige, op en neer dansende hol van een oud-leerkracht of zo. Daarom dat ik van in het begin veiligheidshalve op zoek ging naar cliënteel van net over de landsgrens, ik ken immers geen enkele Hollander en geen enkele Hollander kent mij. Aanvankelijk placht ik m’n uitstapjes naar Nederland te combineren met een bezoekje aan de lokale coffeeshop maar toen een jaar geleden die vervloekte wietpas werd ingevoerd, verviel deze optie. Ik kon enkel nog de grens oversteken om wat abominabele porno te schieten, van wiet kopen was geen sprake meer. Tot ik de ronduit geniale ingeving kreeg om aan m’n klanten te vragen een klein deel van m’n vergoeding uit te keren in natura, zijnde enkele grammen cannabis, die zij mits inschrijving bij hun lokale coffeeshop vrijelijk konden verkrijgen. Niet geheel tot m’n verbazing werd in de wereld van de amateurporno danig wat drugs verbruikt, dus vrijwel geen enkele klant stond weigerachtig tegenover mijn verzoek.

Toen ik de eerste keer bij Aart-Jan en Allison op bezoek was, werd het nog beter. De opnames waren in kannen en kruiken, de twee vunzige speelvogels zaten nagenietend met een kop koffie aan tafel en ik bracht de kwestie van mijn vergoeding ter sprake. De afgesproken som geld werd mij correct overhandigd, maar geen wiet. Aarzelend en lichtjes geïrriteerd vroeg ik dan maar: ‘En…eh…zijn jullie ook een zakje wiet voor mij gaan kopen?’

Waarop Aart-Jan lachend z’n hoofd achteroversloeg, met twee vlakke handen op de keukentafel sloeg en tierde: ‘Wiet kopen?! Ben je gek, daar doen wij niet aan!’

Ik voelde de moed in m’n schoenen zinken, werd kwaad, maar wist niet meteen iets te zeggen. Al bij al had ik geen voet om op te staan. Dit soort overeenkomsten wordt uiteraard nooit op papier gezet, het is een kwestie van wederzijdse goodwill. Over de betaling doen m’n klanten doorgaans nooit moeilijk, ze betalen immers niet alleen voor mijn film- en montagewerk, ze kopen ook mijn integriteit. Want in deze digitale wereld beschik ik uiteraard steeds over een kopie van hun film en in principe houdt niets mij tegen die gewoon zelf op internet te pleuren, of in de mailbox van, zeg maar, hun collega’s, baas, kinderen, noem maar op.

Die eerste keer bij Aart-Jan en Allison dacht ik even dat ik noodgedwongen m’n chantagekaart moest spelen, maar dat bleek gelukkig niet nodig. Eerlijk: de ballen om hen werkelijk te bedreigen had ik toch niet. Dus was ik danig opgelucht toen Aart-Jan met een mysterieuze grijns opstond en me uitnodigde hem mee naar achter te volgen. We liepen de keuken uit, schuifelden door een eng, naar wasverzachter ruikend achterplaatsje, vervolgens door een leegstaande garage met eeuwenoude olievlekken op de vloer, tot we voor een deur stonden die Aart-Jan ontgrendelde met een sleutel die hij uit de zak van z’n kamerjas haalde.

‘Doe maar open,’ zei hij.

Aarzelend opende ik de deur en tranen van ontroering welden op toen ik plots uitkeek over de meterslange rij wietplanten, sierlijk hun knoppen richtend naar de zachtjes zoemende warmtelampen die op borsthoogte waren opgehangen.

‘Zoals ik zal zei,’ begon Aart-Jan, terwijl hij vaderlijk z’n hand op mijn schouder legde, ‘wiet kopen, daar doen wij niet aan.’

Terug in de keuken werd mij een diepvrieszak ter grootte van een kussensloop in de handen gedrukt, volgestouwd met oerdegelijke eigenkweek. Blij als een kind tufte ik in m’n krakkemikkige roestbak van Tilburg naar huis. Het zal niet verbazen dat ik voor de afwerking van hun film tijd nog moeite bespaarde. Speciaal voor hen investeerde ik zelfs in een nieuw, peperduur softwarepakket voor montage en beeldbewerking, wat voor een armoezaaier als mij niet geheel zonder risico is. Gelukkig waren Aart-Jan en Allison lyrisch over het resultaat dat ik hen twee dagen later via Dropbox afleverde en wilden ze nooit nog met iemand anders samenwerken. Het heeft me geen windeieren gelegd; sinds ik met hen in zee ben gegaan, zit ik nooit nog om wiet verlegen, integendeel. Ongeveer de helft van zo’n zak verslijt ik telkens voor een prikje aan naaste vrienden, met de rest kom ik royaal toe. Tenminste op dat vlak leef ik tegenwoordig als een koning.

13.46u

Dit vertelt mij de als analoge klok vormgegeven screensaver van de smartphone naast de assenbak waaruit ik de joint licht. De ouverture is voorbij, tijd voor penetratie en dat is voor mij het meest slaapwekkende gedeelte. Ik steek de joint in z’n hand en uit z’n broekzak haal ik m’n aansteker en dan steek ik voorzichtig op, wat niet simpel is met een camera in de andere hand.

Allison zit op handen en knieën op het bed, haar kont pront omhoog gericht en haar hoofd naar beneden, waardoor haar weelderige, afhangende krullen doen denken aan de manen van een leeuw. Achter haar zit Aart-Jan, ook op z’n knieën, maar dan rechtop, en hij zet z’n heupslagen kracht bij door het overtollige vel op haar dijen als teugels in z’n vuisten te klemmen. Het tegen elkaar klotsen van hun vlees overstijgt moeiteloos het nochtans overtuigend gekreun van Allison. Verder hoor ik vooral de gecontroleerde ademhaling van Aart-Jan, als die van een hardloper. Daar zal ik straks nog werk mee hebben, audiogewijs.

Aart-Jan en Allison kiezen steevast voor dit soort film, waarin het enkel om seks draait. Je hebt er ook die een zekere verhaallijn in hun prent willen leggen, wat steevast tot hilarische toestanden leidt – voor mij althans. Meestal komt er dan een derde speler bij te pas, en dat zijn pas vetzakken. Men moet zich voorstellen dat dit soort individuen zich via een digitaal zoekertje kandidaat stelt om op te draven in andermans privé-pornofilms, en zich daarbij aanprijst om z’n zogezegde kwaliteiten. Dat kan zijn: ‘Expert in anaal’, ‘Geen schrik voor bi’, of simpelweg ‘Doe alles’, maar ook: ‘Heb postbode-uniform’ of ‘Spreek Italiaans’. Deze zogenaamde huurneukers bieden hun diensten in principe gratis aan en vallen grofweg uiteen in twee categorieën, beide ontzettend zielig op hun eigen manier. Enerzijds heb je mannen, en soms in mindere mate ook vrouwen, die omwille van hun schabouwelijk voorkomen of hun te ranzige seksuele voorkeuren, in de reguliere samenleving niet aan de bak komen en zich daarom tevreden stellen met een gastrol in andermans seksleven. Vrijwel altijd zijn dit erg eenzame mensen, sociale verstotelingen met een bovengemiddeld libido, en ja, ze zijn in de regel spuuglelijk. Het is aandoenlijk om te zien hoe zij volledig openbloeien tijdens hun gastoptreden, hoe onvervalst gelukkig ze voor even zijn, want ze zijn zo verzot op seks, maar het wordt hen helaas systematisch ontzegd. Opgeladen maar ook opnieuw fundamenteel triest rapen zij na afloop hun kleren en eventuele rekwisieten bij elkaar en schoorvoetend nemen zij afscheid van het liefdesnest dat zij voor een korte poos dat van hun mochten beschouwen.

De andere categorie is minstens even zielig, maar dan het soort zieligheid dat geen medelijden maar enkel afkeer uitlokt. Het gaat hier over geobsedeerde vetjanussen die hun seksuele appetijt niet langer gestild krijgen achter hun computer of in hun eigen slaapkamer, en daarom hun toevlucht zoeken in een pervers dubbelleven om hun steeds meer ontmenselijkte verlangens te vervullen. Deze mannen – vrouwelijke exemplaren zullen er wel rondlopen, maar ik kwam ze vooralsnog niet tegen – zijn helemaal niet eenzaam, helemaal niet uitgesloten; het zijn altijd getrouwde venten, vaders, directeurs, onderwijzers, doorsnee klootzakken. Eigen aan deze ontaarde rukkers is dat ze altijd absolute anonimiteit vereisen. Ik krijg de nadrukkelijke instructie hun volledige gezicht nooit close-up in beeld te brengen en tijdens de opnames zetten ze groteske zonnebrillen op, pruiken, Venetiaanse maskers, nepsnorren of simpelweg een bivakmuts. Vandaar ook hun voorkeur om steeds ‘typetjes’ te spelen: politieagent, inbreker, ski-instructeur… Niet zelden stoppen de angsthazen me na de opnames nog wat geld toe om mijn gevoel voor discretie aan te wakkeren want constant, en zeker vlak nadat hun verzengende geiligheid voor even is geneutraliseerd, worden zij getergd door de heilige schrik dat hun goddeloos geheim zal uitkomen. Toegegeven, ik heb meer dan eens gedold met het idee om die vetzakken, die soms niet bepaald onbemiddeld zijn, meedogenloos af te persen, maar ook daar heb ik uiteindelijk de ballen niet voor.

14.00u

Stipt, want ik hoor buiten een kerktoren twee afgemeten slagen uitstoten die bijzonder lang nagalmen in dit doodstille gehucht. Gezeten op de grond naast het bed houd ik camera naast de bezwete, puffende kop van Aart-Jan om zo vanuit zijn gezichtspunt z’n vrouw te filmen die hem berijdt als een cowgirl op een losgeslagen rodeopaard. Met haar linkerhand zoekt ze steun op zijn haarloze borstkas en met haar rechter houdt ze haar volumineuze haardos bij elkaar boven haar hoofd, alsof ze werkelijk een vilten Stenson vastheeft die anders af zou gaan vliegen. Afwisselend stel ik scherp op haar duidelijk gespeelde, karikaturale genotsmimiek, dan weer op haar onnatuurlijk op en weer wippende bollen siliconen, die ze af en toe allebei vastgrijpt, of er eentje naar d’r mond duwt en vervolgens een vreselijk verwrongen gezicht moet trekken om met haar rode tong nét een rubberachtige tepel te kunnen beroeren. Als ze dat doet, moet ik erop letten dat aan de onderkant van haar tieten de manifeste littekens van de recentste renovatiewerken niet in beeld komen. Teleurgesteld kijk ik vanuit z’n ooghoeken naar de zo goed als opgerookte joint in m’n linkerhand. Wat mij betreft mogen ze afronden.

Zonder de genitale vergrendeling los te koppelen heeft Allison zich omgedraaid en nu ligt ze in kreeftenhouding op haar man,

pompend vanuit haar knotsachtige knieën, met haar twee gestrekte armen als onwrikbare steunberen schuin in de satijnen bedsprei geplant.

De enige mogelijke manier om dit filmen is van recht voor het bed, met het zwoegende vrouwmens in full shot. Het is allermist eenvoudig om haar in deze houding in een flatterend beeld te vatten. Haar zweet fonkelt in de diepe voren tussen haar buikplooien en dikke druppels rollen over haar slapen en haar doorbloede wangen. Ze transpireert wel erg overvloedig vandaag, misschien is ze echt ziek.

Dan hoor ik de verlossende woorden die met de grove borstel door mijn sombere gemoed gaan. Dat universele gevoel van weergaloze opluchting dat ook de fabrieksarbeider overvalt wanneer hij de tijd uit het oog heeft verloren en plotseling, uit het niets, boven de kakofonische cadans van de machines het bevrijdende geschal van de shiftbel hoort.

‘Godverdomme, het is zover.’

Vreemd dat het uitgerekend voorvalt tijdens dit standje, dat Aart-Jan toch niet meteen de meest erotische beeltenis van zijn vrouw verschaft; hij ziet enkel haar natte rug en haar bungelende haren. Toch kan hij zich kennelijk niet meer inhouden en dus is snelle improvisatie aan de orde.

Nieuwsgierig richt ik m’n kop op, weg van de camera, benieuwd naar wat er gaat gebeuren. In een ruk draait Allison zich om, zet zich op haar knieën terwijl Aart-Jan rechtop in het midden van het bed gaat staan. Ik spurt naar de zijkant van het bed, net op tijd om een stabiel shot te verkrijgen van Allison die haastig de op springen staande lul van haar man in haar mond propt en hem nog snel tot tegen haar amandelen duwt. Meteen haalt ze hem weer tevoorschijn om het gutsende zaad in haar theatraal opengesperde mond op te vangen. Het orgasme van Aart-Jan is luid en royaal in omvang, maar niet van harte. Hierover zal straks aan de avonddis nog een duchtig woordje worden gepraat. Met beplaasterd gelaat likt Allison het natrillende lid schoon, sopt het nog een paar keer in haar absorberende keelgat en dat was het dan.  Zoals gebruikelijk houd ik m’n camera nog een poosje op Allison, zoom in op kleverige slierten sperma die over haar waterproof opgemaakte oogleden hangen gedrapeerd en als Aart-Jan met een handgebaar te kennen geeft dat het voldoende is, stop ik de opname.

Sakkerend en jammerend zet Aart-Jan zich op de rand van het bed, Allison trekt zonder een woord te zeggen naar de belendende badkamer. In deze akelige sfeer stap ik naar de bank waar m’n rugzak staat en terwijl ik ga zitten moet ik moeite doen om m’n opluchting te verbergen. Ik drink van het flesje water dat ik bij me had en begin m’n gerief in te pakken, niet goed wetend of ik nu iets moet zeggen of niet.

‘Godver, godver,’ vloekt Aart-Jan, ‘dat was niet goed.’

13.35u

Maar daar moet ik een uur en een twaalftal minuten bijtellen want de valcijferklok in het dashboard van mijn auto loopt achter vanwege een batterijpanne en het draaiknopje om de klok aan te passen is afgebroken. Het is tamelijk heet buiten dus heb ik m’n raampje opengedraaid. De frisse, grasgeurige zomerwind dreunt in m’n gezicht terwijl ik braafjes onder de snelheidslimiet over het maagdelijke asfalt snor dat dit pittoreske landschap meedogenloos doormidden snijdt. In de verte doemen de frituurtjes, de vuurwerkwinkels en het ontzaglijke tankstation op, wat wil zeggen dat ik dadelijk m’n eigen landje weer zal inrijden. Zoals steeds doet deze omgeving mij met liefde denken aan mijn prachtige grootmoeder, die vaak vertelt over hoe ze vroeger elke dag met de bus helemaal vanuit de weggemoffelde Kempen tot over de grens reisde om in ruil voor een handvol Nederlandse Gulden stinkende sardientjes in een blikken doosje te stoppen. De fiere toon waarop ze die verhalen vertelt is aandoenlijk en het steekt me telkens weer tegen dat ik haar niet kan vertellen hoe goed ook ik deze baantjes ondertussen ken. Haar hart zou openbloeien als ze samen met haar kleinzoon het hele traject in gedachte zou kunnen afhaspelen; haar herinnering zou zoveel tastbaarder worden als ze aan mij een klankbord had, als ik haar kon vertellen wat er ondertussen allemaal veranderd is: de immense villa’s die hier zijn opgetrokken, de nieuwe weg die is aangelegd, de industrieterreintjes die totaal misplaatst her en der zijn ingeplant. Maar nu knik ik zwijgzaam, houd me van de domme, want mijn grootmoeder is geen uil. Ze zal vragen hoe ik dat allemaal zo goed weet, wat ik hier te zoeken heb, en ik kan haar toch moeilijk vertellen dat ik hier bijna wekelijks passeer om in Tilburg en omstreken vettige amateurporno te gaan schieten?

Rond dit punt op m’n reis ben ik meestal geneigd mezelf voor te spiegelen dat dit maar tijdelijk is, want dat ik zoveel meer in m’n mars heb. Maar langzamerhand begint deze vorm van autotherapie aan geloofwaardigheid in te boeten.

Als ik werkelijk zoveel meer in m’n mars heb, waarom doe ik er dan niets mee?

Ik ben achtentwintig jaar oud en ik modder maar wat aan. Wie houdt mij tegen om de hemel te bestormen, wie verspert mij de weg? Wie heeft de barricade opgeworpen tussen mij en m’n dromen? Geen idee wie precies, maar toch is de onbereikbaarheid een koud, spijtig feit. Ergens, in de onophoudelijke regen van vallende kalenderbladen, is er een dag waarop ik mijn leven omgooi, met de stroom mee, aansluitend in de kudde, de normaliteit tegemoet; alleen vrees ik dat die dag zal verstrijken zonder ik er erg in heb, of, nog waarschijnlijker: al verstreken is.

Net toen de sombere gedachten weer eens voor onbestemde duur uit m’n hoofd waren gewaaid, en ik opnieuw goedgemutst de onooglijke gemeente Ravels binnenreed, gebeurde er dus dit. Wat ik simpelweg begrootte op een onschuldig verkeersopstoppinkje, bleek een uitgebreide politiecontrole te zijn. Ik heb inmiddels de drie overige raampjes naar beneden gezwengeld – mijn auto is zo klein dat ik dit alles vanuit de bestuurderszetel kan – en met bevende handen een sigaret gerold, in een vruchteloze poging de wietgeur te maskeren. M’n voeten daveren van angst en ik slaag er maar net in om de motoriek op te brengen die nodig is om m’n oude Citroën naar de voorlaatste positie te rijden, waarbij ik veel te hoog in toeren ga en bij de uiteindelijke ontkoppeling veel te bruusk vooruitschiet. Dit geklungel maakt alvast een zeer patente indruk; ik kan al beter dadelijk m’n twee dunne polsen simpelweg uit het raam steken om wat tijd te besparen.

En dan, als getroffen door een boeddhistische bliksem, word ik kalm, ijzig kalm. Pardoes. Een belachelijk misplaatste sereniteit daalt over me neer en samen met de berusting rolt een golf van haast pathetische melancholie over mij heen. M’n bijkans betraande ogen dwalen het interieur van m’n kleine auto af. Er is niet één vierkante centimeter die niet tot op de draad is versleten. Ik kijk naar de verroeste nagel die door een vorige eigenaar in een vlaag van pragmatische genialiteit door de stoffen bekleding is geboord om het zonneklepje aan de passagierskant omhoog te houden. Ik kijk naar de radio-cassettespeler van Pioneer, misschien wel de eerste in zijn soort, die ondersteboven in de daartoe bestemde uitsparing zit geramd, omdat dat de enige manier is om af en toe, namelijk bij uitzonderlijk hoge luchtvochtigheid, contact te maken. De perfecte cirkel van limoengroen mos dat zich op wonderbaarlijke wijze heeft gecultiveerd op het dashboard, de luidspreker die als een afgescheurde arm uit de deur puilt, de honderdduizend sigarettenpeuken, de takken, de eikels, de blaadjes, de naar binnengewaaide bloesems…relicten uit alle seizoenen van het jaar.

En met bezwerende klaarte denk ik aan mijn leven. Mijn dom, onnozel leven dat geen enkel nut dient, geen cent toevoegt aan het bruto binnenlands product, geen gram weegt, geen mens interesseert. In plaats van mij, had evengoed niets kunnen zijn; het zou geen verschil maken. In het beste geval ben ik een ver getal na de komma van de oneindige rest op het einde van de staartdeling. Mijn impact is volstrekt verwaarloosbaar, ikzelf ben perfect te verwaarlozen. Een feilloze futiliteit, een magistraal ontwerp van onbenulligheid. Ik ben een van de zwakste schijnsels op de radar der menselijkheid, amper te ontwaren, en toch heeft men mij gevonden.

Hier zit ik, hier zit ik plots te blinken in de spotlights, hoog op de agenda van deze bewakers van de burgerlijkheid.

Met een in wezen onverklaarbare glimlach op m’n lippen vaar ik de haven van rechtvaardigheid binnen, net tot waar het op en neer zwaaiende lichtzwaard mij wil hebben. De potige agent stapt vastberaden naar het open raampje en met z’n zware hand op het vuile dak van de Citroën bukt hij naar mij toe.

Hoewel een ondoordringbare zonnebril de ogen van de flik vakkundig verborgen houdt, weet ik dat zijn pupillen in omtrek verdubbelen als hij mijn gezicht ziet. Ik merk het aan de dikke wenkbrauwen die van achter het pilotenmontuur tevoorschijn wippen en ei zo na z’n kepie van z’n kop tillen, en ik merk het aan de fiere, oermensachtige jukbeenderen die een paar millimeter verzakken. Maar bovenal weet ik het gewoon omdat ik deze gozer ken, en hij kent mij.

Ik weet nog dat ik dacht dat zijn uniform er bijzonder echt uitzag, wel nu, nogal wiedes: het wás echt. De plot was dat een plichtsbewuste politieagent met dienst binnenviel op een extreem gortig sm-feestje en dat hij vervolgens werd verleid deel te nemen in de ranzigheid. Het was met stip de meest weerzinwekkende prent die ik ooit heb gemaakt. In de hoofdrollen twee koppels in hun dertigerjaren, plus de huurneuker dus. Iedereen neukte er met iedereen, iedereen liet zich gewillig mishandelen met een amalgaam aan attributen die in beginsel waren ontworpen ten behoeve van de gevorderde doe-het-zelver of de experimentele hobby-kok. Er was kak, pis en kots, veel kaarsen, schedelreplica’s, post-tridentijnse kerkmuziek en liters, maar werkelijk liters glijmiddel. Met risico op levenslange trauma’s heb ik de opdracht weliswaar afgewerkt, maar sedertdien stipuleer ik in mijn annonce in niet mis te verstane kapitalen NO SM.

We zijn ons allebei bewust van de vanzelfsprekendheid die tussen ons in hangt en hij doet niet eens de moeite om de schijn hoog te houden en me een ademtester in het gezicht te duwen. Simpelweg strekt hij onverricht ter zake de rug, waarop ik m’n peuk op de agent z’n opgeblonken laarzen gooit, de Citroën de sporen geef en met krijsende 1.1-motor de Ravelse skyline bestorm. Opnieuw een flauw flikkerend puntje in de periferie van de radar der menselijkheid. Futiel, onbenullig en perfect verwaarloosbaar.

Advertenties