Als ik hem nu ‘ns staalhard op z’n dikke neus moker? Zou iemand dat al eens geprobeerd hebben? Als ik nu m’n rechtervuist heimelijk onder tafel samenpers tot een solide kogel, onverhoeds opveer vanuit deze kermende, kleinerende klerestoel, sierlijk als een panter over het tafelblad duik en m’n witte knokels netjes in het midden van z’n zelfingenomen smoel plant; wat zou dat geven?

Ach, nog nooit in m’n dertigjarige leven heb ik een vlieg kwaad gedaan, waarom zou ik daar vandaag, nu en hier, verandering in brengen?

‘Waarom wilt u deze job, meneer…’ Hij moet tussen de stapel cv’s spieken naar mijn naam en uit de klimmende intonatie van z’n stem blijkt dat hij nog altijd niet zeker is. ‘Meneer Trandemski?’

De stapel is dik, wat mijn kansen op succes logischerwijs verkleint, en ligt eerder wandordelijk door elkaar gehannest op het melkglazen tafeloppervlak, wat er dan weer op wijst dat de man tegenover mij heel deze procedure stiefmoederlijk benadert en dat het hem meer dan waarschijnlijk vierkant kan worden gestolen wie uiteindelijk met de bevochten job aan de haal gaat. Bij dit soort vage vacatures en dit soort HR-klieren weet je van tevoren: als er een jong grietje met dikke prammen in de stapel zit, ben je gescheten.

Het is een uitgesproken lelijke man. Zelfs een volbloed heteroseksueel als ik kan dit met stelligheid beweren: deze man is onaantrekkelijk, spuuglelijk. Je merkt ook meteen dat het de soort lelijkheid is die wordt gedragen van in de wieg tot in het graf. Als deze afschuwelijk figuur ooit de begeerlijke warmte van een vrouwenhuid heeft mogen voelen, dan was het vast tegen betaling. Aangenomen mag worden dat dit schabouwelijke heerschap zich in de seksuele omgang steevast moet beperken tot het verkeer met dikke, werkelijk reusachtige olifanten van vrouwen, van wie bekendstaat dat hun huid nooit begeerlijk warm aanvoelt vanwege het opgehoopte isolatievet tussen de aderen en het huidoppervlak.

Ik heb verdomd veel zin om hem de waarheid te vertellen. Niet over z’n lelijkheid en z’n veronderstelde omgang met vette vrouwen – enfin dat óók, maar ik heb het eigenlijk over het antwoord op zijn debiele openingsvraag. Ik wil deze job helemaal niet, ik wil een job, bij voorkeur een totaal andere, een die deze klootzak mij zeker niet aanbieden kan, maar bij gebrek aan alternatief en uit pure noodzaak zit ik hier deze job af te bedelen. De onvoorstelbare belachelijkheid van heel deze komedie zit ‘m in het feit dat hij dat zelf goed genoeg weet – komaan, hij heeft mijn cv toch ook bekeken, zij het wellicht met professionele haast en diepe desinteresse, maar het kan toch niet dat hij per ongeluk over mijn academisch curriculum heeft heen gelezen.

Ondertussen heb ik op volautomatische piloot al een repliek geformuleerd, even standaard en inspiratieloos als de vraag zelf. Want op de duur gaat het zo. Het is alsof je die tientallen gesprekken per week niet langer zelf beleeft, of toch niet ten volle. Eerder als een soort toeschouwer van je ontzield handelen en spreken. Je bent immers ook jezelf niet tijdens zo’n gesprek, je zet een personage neer dat alles goed en wel beschouwd geen reet met jezelf te maken heeft. In het prille begin was het anders, wanneer je die handvol jobs najaagt die je effectief genegen bent en waarvoor je warempel opgeleid bent. Tijdens die eerste gesprekken spreek je vol vuur en passie en zou je in staat zijn je borstkas open te klieven en je kloppend hart op de vergadertafel te gooien, gewoon om ze met hun eigen ogen te laten zien hoe diep het verlangen zit om die job te mogen doen. Maar ondertussen zijn dat verre en pijnlijke herinneringen en scherm je bij het solliciteren de binnenkant van je borstkas maar beter vakkundig af. De afschuw die zich daar genesteld heeft, blijft beter verborgen.

‘En waarom denk je dat jij geschikt bent voor deze job?’

Hij legt de nadruk op het woord ‘geschikt’ alsof z’n vraag de interrogatieve vondst van de eeuw is en in mijn kop begint een onpeilbare haat te ontkiemen. Ik voel plots m’n eigen vingernagels in m’n handpalm priemen en merk dat mijn rechterhand zich werkelijk tot een vuist heeft gebald. Is dit de man die mij over de rand zal duwen?

Zoals dat wel vaker voorkomt bij wanstaltige maar royaal gesalarieerde mannen, tracht ook deze trol z’n lelijkheid te neutraliseren door zich te hullen in peperdure gewaden. Toen hij me daarnet – overigens met een nooit gezien, onnavolgbaar dedain in z’n tred – voorliep naar deze glazen vergaderzaal, kreeg ik de kans hem in volle vestimentaire glorie te monsteren. Akelig opgeblonken lederen schoentjes, een trendy wijnrode en een zwartglanzend slim fit hemd. Mocht het binnen hun macht liggen, de ontwerpers van deze fraaie stukken zouden ongetwijfeld een veto hebben gesteld tegen de mogelijkheid dat hun creaties ooit rond zulke onooglijke lichaamscurven zouden spannen, maar jammer voor hen én voor het algemeen elan van de publieke ruimte is zulks niet mogelijk. Erger nog: vanwege het feit dat een groot vermogen en een grote buikomtrek vaak met elkaar verbonden zijn – zoals voortreffelijk geïllustreerd in de persoon van mijn huidige ondervrager – is het zo dat de mooiste en duurste kleren veelal door de dikste en lelijkste mensen worden gedragen. De gecombineerde totale waarde van zijn outfit bedraagt zonder twijfel een veelvoud van wat een stumper als ik hier of elders maandelijks verdienen zal. Terwijl ik, met mijn zuinig gevoede pens en mijn door voortdurende financiële stress strak gepiekerde kont dat prachtige ensemble veel meer recht zou aandoen. Maar neen, ik en mijn sociaal-economisch achtergestelde mannequinlichaam zijn veroordeeld tot het tot op de draad afdragen van spotgoedkope retailkostuums, zoals het ongewassen exemplaar waarin ik me ook deze ochtend weer heb gewrongen.

Gekocht in de fucking Carrefour nota bene.

Ik hoor mezelf de vereiste karakterkenmerken afratelen die in de vacature onder het hoofdje Gewenst Profiel stonden opgesomd, als een tienjarige die tegenover z’n karig knikkende vader z’n eerste les Wereldoriëntatie voor de zoveelste keer opzegt omdat anders de tv niet aan mag. Nederig, hulpeloos en zwak.

‘En wat verwacht je precies van deze job?’

Altijd de lastigste vraag, omdat ze in de aard vals en doortrapt is. Wat ik verwacht van deze job, wat ik verwacht van eender wie of wat, dat doet hier immers geen fuck ter zake. Alsof mijn verwachtingen mij ergens zullen brengen. De verwachting van de gozer aan de andere kant van de tafel is al wat telt, zíjn wensen, zíjn eisen. En hiermee moet mijn verwachting volledig in lijn liggen, of ik ben eraan voor de moeite. De pop die moet raden welk dansje de poppenmeester nu weer eens in de vingers heeft zitten.

De vergaderzaal waarin we zitten kan het best worden vergeleken met een visbokaal op mensenformaat. Overal rondom zitten kleurloze figuren met hopeloos vermoeide ogen diep in een computerscherm te staren, alsof ergens in die flikkerende machine het antwoord op al hun vragen ligt besloten. Ze kauwen op het uiteinde van hun balpen, bijten geautomatiseerd in een appel of slurpen gedurig van een mok slappe koffie. Er wordt gekucht, gegromd, geniest, ze staan in stand-by. Na werklust is levensgeluk wel het laatste dat ze afstralen, en toch zit ik hier m’n best te doen om een van hen te mogen zijn. Zit ik al sinds de autorit naar hier vurig te hopen om de rangen van dit lethargische leger kantoorklerken te mogen vervoegen. Vrijwel niets zou mij op dit punt in mijn leven gelukkiger maken dan wanneer mij straks of morgen per telefoon de toegang wordt verleend de toegang wordt toegekend tot deze kudde koffieverslaafde losers, tot deze gesloten gemeenschap van uitverkoren bureaumieren. De bedienden, de werkers, de lucky few. Slechts één iemand verspert mij de weg: de bedorven poortbewaker, de almachtige HR-directeur, de walmende zak zelfingenomenheid hier recht voor mij.

Ik weet niet of ik heb gescoord met m’n antwoord, ik durf er echt geen slag naar slaan. Het blijft een aartsmoeilijke vraag, telkens opnieuw, en je kan alleen maar gokken. Uit de lusteloze mimiek van de vadsige man valt geen letter af te lezen. Ik kan het niet verklaren, maar de waterige desinteresse in zijn ogen, de abnormaal grote mee-eters op zijn neus, de venijnige manier waarop zijn vochtige mondhoeken lichtjes afhangen… Tintelend groeit de aandrang om deze man…pijn te doen.

‘Wel, meneer…’ Ongelooflijk, hij is het weer vergeten en moet weer spieken. ‘Meneer Trandemski. U hoort nog van ons.’

Dan hijst hij met zichtbare inspanning z’n gedrocht van een lijf uit de stoel en gebaart hij met een wijd uitgestrekte rechterarm dat mijn aanwezigheid hier nu definitief niet langer nodig is.

Ik heb hem, geloof ik, nog afgemeten bedankt voor z’n tijd, en wandel nu terug voorbij de ratelende toetsenborden en onheilspellende belsignalen richting uitgang. De receptioniste is een braaf, mooi meisje, zo vriendelijk en lief dat je hart er warm van wordt, alsof ze zich bij voorbaat wil verontschuldigen voor de wreedheden waaraan je ten prooi zult vallen eens je haar balie voorbij bent. Ik geef haar mijn bezoekersbadge terug, zij lacht haar geoefende lach van medelijden, en dan zit het zinloze avontuur er weeral op.

In een van de loungy kuipzeteltjes zit een kortgerokte, zwaar opgemaakte slettenbak te wachten. Op haar diep uitgesneden bloes zit een bezoekersbadge gespeld en om zichzelf toch maar een houding te geven zit ze doelloos over haar smartphone te vegen. De nervositeit druipt er van af, ze is ongetwijfeld de volgende sollicitante. Ik kan alleen maar hopen dat ze oer- maar dan ook oerdom is, en dan nog…

Uiteraard regent het. Miezerige druppels die door de scherpe wind horizontaal in mijn gezicht  worden geslingerd en mij op die manier de adem afsnijden. In lichte looppas bereik ik mijn roestig wrak, dat totaal misplaatst staat geparkeerd tussen een colonne gepolijste executive cars. Met een zucht val ik in de uitgesleten bestuurderszetel en wrijf ik m’n baard droog. Ik start de motor en rol eerst nog een sigaret met de tabak die ik op het dashboard had laten liggen. Door de vettige, beregende voorruit kijk ik recht op de glazen voorgevel van het bedrijf dat mij net kort heeft gedegusteerd en vlug weer heeft uitgespuugd. Ik rook langzaam en kwaad.

Als ik mijn nieuwe aartsvijand de receptieruimte zie binnenwaggelen, zet ik snel mijn enige ruitenwisser aan, maar het versleten rotding veegt de aangekoekte vuiligheid en de dikke regenspatten bijeen tot een slijmerige brei, en dan zie ik opeens niets meer dan een troebele, olieachtige waas. Ik vloek en flikker de ruitenwisser naar de snelste stand, waardoor het beeld haal per haal begint op te klaren. Het enerverende gezoem van het motortje van die ene, debiele ruitenwisser, het slepend gekrijs van het verduurde rubber over de pokdalige voorruit, de beukende windvlagen die door honderdeneen tochtgaten naar binnen fluiten. Mijn bloed kolkt, pulseert gewelddadig tegen mijn slapen, een metafysische razernij grijpt me bij de keel.

Ik zie hoe de lelijke ploert de hoerig gedecoreerde kandidate met z’n perverse hand uit de loungezetel helpt opstaan en haar dan de weg wijst naar de visbokaal, met krek hetzelfde wijde armgebaar als waarmee hij mij verzocht op te rotten, maar de uitvoering is ontelbare malen warmer, cordialer, vunziger. Haar gaat hij niet voor, zij hoeft niet als een onderdanige hond achter hem aan te drentelen. Terwijl hij haar goedkoop geaccentueerde kont voor z’n ogen op en neer ziet dansen, strekt hij verlekkerd z’n nekspieren en dan brengt hij z’n hand naar z’n mond en neus, ademt uit en snuift. De paringsdans der ranzige directeurs.

Een onbekende kracht zwaait het portier van mijn wagen open. Een onbekende kracht gooit het portier van mijn wagen open. Mijn enige ruitenwisser blijft als een gek tekeergaan terwijl ik mezelf voel uitstappen. Met treden zo vastberaden dat ze onmogelijk van mezelf kunnen zijn storm ik het gebouw weer binnen, met m’n smeulend shagje nog steeds tussen m’n opeengeperste lippen.

‘Meneer, kan ik u helpen?’

Ik marcheer door.

‘Hé meneer, u mag hier niet roken.’

De arme receptioniste is bang. Dat verdient ze niet.

De weg naar het glazen vergaderlokaal is kort en ligt als verlicht voor mij open. Achter verschillende computerschermen richten verdwaasde koppen zich op, koffiemokken worden met kinderlijke verwondering neergezet. In m’n hoofd nog altijd het metronomisch molenwieken van mijn ruitenwisser. Ik duw de deur open en kijk recht op zijn kwijlende, vette rotkop. Na een laatste, alomvattende trek gooi ik mijn zelfgerolde sigaret op de grond en sierlijk als een panter duik ik over het tafelblad.

Nog nooit in m’n dertigjarige leven heb ik een vlieg kwaad gedaan, tot die ene, verrukkelijke seconde waarin ik hem staalhard op z’n dikke neus moker.

Advertenties