Het is nooit een goed idee om te gaan zuipen met een kop vol spoken, maar ik dacht: fuck it. Dus ik trok m’n jas aan, telde m’n geld en nu lig ik hier tegen de gevel van de groenteboer geplooid, bevend van de kou en bloedend uit m’n hoofd. Wat zich daartussen heeft afgespeeld? Geen flauw benul.

Met zekerheid kan ik zeggen dat ik m’n appartement heb verlaten met een jas om m’n lijf en geld in m’n broekzak. Op dit moment ben ik beide zaken kwijt. Het was een tamelijk riante som geld en als ik die integraal heb omgeruild voor alcohol, dan lijkt het me niet meer dan normaal dat ik m’n jas in de laatste kroeg ben vergeten. Ook niet volkomen uit de lucht gegrepen is de mogelijkheid dat ik in mijn onmetelijke dronkenschap ben slaagsgeraakt met een andere nachtbraker, en dat die – volledig volgens de nachtelijke geplogenheden – mijn wenkbrauw heeft kapotgeslagen. Nu ben ik in feite altijd de eerste om een strubbeling, een aanvaring of elke vorm van meningsverschil op vreedzame manier op te lossen, ook al vergt dit het onderdanig opzijschuiven van mijn trots of eergevoel. Twee sentimenten die mij ten allen tijden vierkant gestolen kunnen worden, maar zoals gezegd: het spookte in mijn kop, dus vooralsnog sluit ik niks uit.

Op zich is het ook vreemd dat ik net hier terecht ben gekomen; de groenteboer ligt hoegenaamd niet op het traject van eender welke kroeg naar mij thuis. Wat had ik hier te zoeken? Misschien zocht ik gewoon de weg, was ik verdwaald. Dat zou dan toch een unicum zijn. Ontelbare keren heb ik mij compleet van de kaart gedronken, op de meest diverse locaties en soms erg ver van huis, maar telkens kwam ik op miraculeuze wijze terug in m’n bed terecht, of in sommige gevallen in dat van iemand anders, maar op de dool geraken: nooit.

Met een kreun, een zucht en een vloek klim ik overeind. Het is dag noch nacht. Dat sombere, confronterende tijdsspanne waarop de duisternis doorzichtig wordt, het moment waarop elke drinker denkt: fuck. Het exacte tijdstip kan ik onmogelijk achterhalen, ik draag geen horloge en mijn smartphone had ik uit voorzorg thuisgelaten. Gaan zuipen met spoken in je kop is één ding, maar daarbovenop ook nog ‘ns je telefoon meenemen, neen, zo stom was ik niet. Niet meer, zo stom was ik niet meer.

Dan zie ik plots dat er op m’n linkerarm iets staat geschreven in blauwe balpeninkt. AYSEL en wel met drie uitroeptekens erachter. Een lampje in m’n kop gaat aan en plots word ik naar afgelopen nacht gekatapulteerd.

Een meisje, een mooi meisje, geloof ik, zit naast mij aan de toog van een kroeg en zegt: ‘Maanlicht.’

‘Wat?’

‘Het betekent maanlicht, mijn naam. Het is Turks voor maanlicht.’

Ik ben tegen een hoog tempo Jack Daniels aan het drinken en zeg: ‘Oké, Ayisha, dat weet ik dan ook weer. Bedankt!’

‘Nee, Aysel.’

‘Juist. Je mag het me niet kwalijk nemen, ik ben slecht in namen. Woorden in het algemeen eigenlijk. Drink je iets van mij?’

‘Dat heb je net ook al gevraagd. Nee dank je, ik drink geen alcohol en kan echt waar geen frisdrank meer zien of ik moet kotsen.’

‘Ik moet nooit kotsen.’

‘Dat zei je net ook al.’ Het meisje is heel geduldig en verdraagt mijn vergevorderde dronkenschap bijzonder goed.

‘Soms zou ik willen kotsen. De spoken uit m’n kop kotsen.’

‘Welke spoken?’

‘Ach Ayla, daar wil ik je nu niet mee lastig vallen.’

‘Aysel!’

‘Wat?’

‘Mijn naam is Aysel.’

‘Dat weet ik. Maanlicht!’

Ik bestel nog een glas en zij zegt: ‘Ga je mee roken?’

‘Ik rook niet meer. Zal ik je eens wat vertellen?’

‘Vertel eens wat.’

‘Ik ben gestopt voor haar. Met roken. Ik ben gestopt met roken voor haar. Ze had er een hekel aan.’

‘Wie?’

‘Melissa.’ Ik drink m’n glas in een teug leeg om de naam door te spoelen.

‘Is dat je ex ofzo?’

‘Pff, luister, Rachel, je ziet er een leuk meisje uit, ik wil hier nu niet over mijn ex beginnen zeuren.’

‘AYSEL! ‘

‘Wat?’

‘Wacht, kom hier.’ En ze grijpt een blauwe balpen uit haar handtas en schrijft in grote kapitalen haar naam op mijn linkeronderarm, aangevuld met drie grote uitroeptekens.

‘Hé, Aysel! Dat is Turks voor maanlicht.’

Na die beschamend bouwvallige conversatie opnieuw een onpeilbaar diep, zwart gat. Aysel, dat meisje, waarom zat ik met haar te praten? Zij een alcohol onthoudende moslima, ik een straalbezopen caféhond. Het lijkt me sterk moest zij zomaar naast mij zijn komen zitten om een praatje te slaan. Meer waarschijnlijk ben ik het arme kind in m’n dronken overmoed lastig beginnen vallen, zoals ik dat vroeger wel meer deed, hoewel dat strikt genomen helemaal niet in mijn aard ligt. Het is echt beangstigd hoe ik op zulke avonden, wanneer die moordlustige dorst mij in haar greep neemt, een totaal andere zatlap word dan ik gewoonlijk ben.

Ik draai me om in de glazen deur van de groentewinkel om de wonde aan m’n hoofd te bestuderen en dan merk ik plots iets vreemd. Mijn spiegelbeeld bloedt. Precies ter hoogte van mijn linkerwenkbrauw, eigenlijk m’n rechter dus, kleeft een spat bloed aan de deur. Ik schuifel nog wat naar voor tot ik met m’n neus het glas voel en inderdaad: exact op de plek van mijn wonde hangt er bloed aan de deur. Dan dringt het tot me door: ik ben gewoon domweg tegen deze deur gewandeld. Hoe is het mogelijk. Dus geen vechtpartij, geen kwaadaardige agressor, gewoon m’n eigen stommigheid. Rest nog de vraag: waarom wou ik godbetert een groentewinkel binnenstappen?

Plots realiseer ik me de mogelijkheid dat zo’n groenteboer misschien wel eens ontiegelijk vroeg durft op te staan en dat er dus dadelijk iemand in de winkel kan verschijnen. Ik kan me maar beter gauw uit de voeten maken.

We beleven de lamlendigste lente ooit en in mijn T-shirt heb ik godverdomme ijs- en ijskoud. Om het wat warm te krijgen probeer ik stevig door te wandelen, maar een weerspannige kater verzuurt elke spier in m’n lijf. Met m’n beide handen wrijf ik m’n bovenarmen warm en ik schrik van een brandende sensatie ter hoogte aan de achterkant van m’n linkerarm. Ik herken de wonde meteen: de verschroeiende kus van een smeulende askegel. Een fragment schiet me te binnen.

Ik sta buiten op de stoep gulzig van een sigaret te trekken, naast mij staat het Turkse meisje. Ze rilt van de kou en ik steek de sigaret in m’n mond, trek m’n jas uit en drapeer die om haar breekbare, blote schouders. In ruil schenkt ze me een engelachtige glimlach. Ondertussen staat mijn tater geen seconde stil maar de woorden zijn vervlogen. Ik herinner me alleen hoe het maanlichtmeisje steeds opnieuw glimlacht, schuddebolt, een gitzwarte lok uit haar gezicht veegt en onophoudelijk rookt. Niet enkel sta ik continu te ratelen, bovendien lardeer ik m’n betoog met de meest debiele gesticulaties. Los van de wereld sta ik op m’n zatte stelten met m’n armen te zwaaien, tot ik met m’n bovenarm langs haar sigaret scheer en dan krimp ik in elkaar als een roekeloos rund dat tot de orde wordt geroepen met een elektrische stootstaaf. Mijn dierlijke reactie wordt eerst op schril schatergelach ontvangen en dan neemt het meisje mij troostend in haar armen. Dat ze naar zwarte camillethee ruikt is het laatste dat ik me herinner.

Langzaamaan kom ik dichter bij huis en ik verlang hevig naar de warmte van tien donsdekens. Wegsmelten onder m’n gewassen lakens, vervolgens in diezelfde lakens het gif van deze verschrikkelijke kater uitzweten en tenslotte heel deze bizarre onderneming vergeten. Maar eerst moet ik nog een niet te onderschatten horde nemen. Had ik er eerder aan gedacht, ik was een paar straten omgelopen, maar nu is het te laat. Ik passeer het appartement van Melissa, de ex, de misdadigster die mijn hart, ziel en gedachten heeft gegijzeld. Zelfs in de ontheemde, bescheten toestand waarin ik me op dit moment bevind, weet zij dwars door deze gevels heen moeiteloos beslag te leggen op mijn diepste verlangens.

Mijn oog valt op een kapotte fles die ligt uitgestrooid voor de portiek van haar flatgebouw en zweet gutst uit elke porie wanneer de finale herinnering aan afgelopen nacht me plots haarscherp voor de geest staat.

‘Sorry, maar je bent helemaal m’n type niet’, zegt het maanlichtmeisje, Aysel, en ze strijkt die lok weer uit haar gezicht.

Ik heb haar net proberen te kussen en ondanks m’n laveloze toestand weet ik met pijnlijke stelligheid dat ik een zielige, dwaze idioot ben.

‘En bovendien ben ik er redelijk zeker van dat ik jouw type niet ben.’

‘Oh? Waarom dan?’

‘Heel de avond heb je geen moment over haar kunnen zwijgen, je adoreert haar, dat weet je toch? Als je vanavond met mij zou kussen, ga je jezelf daar morgenochtend alweer voor haten. En dát type meisje ben ik niet, het type waarvan je achteraf spijt hebt dat je haar gekust hebt.’

Ik glimlach, ze heeft gelijk.

‘Luister, je zegt dat jullie zeven jaar zijn samen geweest. Met die nieuwe kerel is ze amper een paar maand samen, dat weegt niet op tegen het verleden dat ze met jou deelt. Zo te horen waren jullie perfect voor elkaar, zij is dat nu gewoon even uit het oog verloren. Zo kunnen meisjes zijn. Geef haar gewoon wat tijd.’

En dan zet ik het op een rennen. Het meisje roept nog: ‘Wacht, je vergeet je jas!’ Maar ik heb geen tijd te verliezen.

Met m’n longen in lichterlaaie wankel ik de nachtwinkel binnen. M’n laatste geld laat ik aftroggelen voor de duurste fles champagne die de Indiër in aanbieding heeft en daarna ren ik in een ruk vijf straten verder tot bij het appartement van Melissa. Woest hijgend en steunend op de lange rij brievenbussen plant ik m’n vinger op de bel naast haar naam en ik los niet tot er een licht aangaat in de inkomsthal. Even later verschijnt ze in haar lichtgroen nachtkleed met zwarte vogeltjes erop.

Zonder enige inleiding steek ik een onsamenhangende monoloog af waarin ik tevergeefs probeer m’n op zich al chaotische gedachten onder woorden te brengen. Ik hoor mezelf falen maar weiger op te geven, begin steeds opnieuw, maar ik geraak nergens. Zwijgen doe ik pas wanneer Melissa de fles woedend uit mijn hand slaat. Mijn ultieme investering spat roemloos kapot op de stenen en veroorzaakt amper een rimpeling in de kille, naakte nacht.

Verbaal ben ik verstomd maar inwendig woedt de storm gewoon door, de kolkende tornado van whiskey, pijn, hardnekkige hoop; ik heb amper oren naar wat ze te zeggen heeft en kan me enkel nog een paar losgezongen flarden herinneren.

‘…vroeg of laat loopt zoiets op z’n einde, zo gaat dat nu eenmaal…’

‘… je kan het mij toch niet kwalijk nemen dat ik mijn gevoelens volg…’

‘… niet zomaar een lukraak reboundvriendje…’

‘… ik ben echt verliefd op hem, ik…’

‘… hij is zo anders dan jij…’

‘… een denker, de manier waarop hij naar het leven en naar de wereld kijkt…’

‘… hij heeft ideeën, hij zoekt naar de weerwaarde in het leven…’

‘… art de vie…’

‘… hij zo anders dan jij…’

‘… met je drinken…’

‘… art de vie… daarom zie ik hem graag… art de vie…’

En plots snap ik het helemaal. Mysterie opgelost.

Ik zei nog: ‘Wacht hier!’

En dan ben ik opgewonden en verstoken van enige tijdsbesef naar de dichtstbijzijnde groenteboer gehold om me daar te pletter te lopen tegen de gesloten glazen deur.

Ik had andijvie verstaan.

Advertenties