Zoeken

meaningless, casual text

Taxonomie

‘Excuseer mevrouw,’ vraag ik uiteindelijk. ‘Kan het zijn dat ik dwars doorheen uw broek uw anus ruik?’

Ik sta extreem casual in de nieuwe Corporate Lingo Weekly te bladeren met m’n vaste kwaliteitskrant alvast onder de arm; zonder haast maar zwaar geërgerd omwille van de penetrante aarsgeur die zwaar en slijmerig in de lucht hangt. Net ben ik halverwege een sterk artikel over de herintroductie van de in jaren ‘90 populaire frase ‘it’s a no go’, wanneer het mij echt te gortig wordt en ik besluit er iets van te zeggen. Want, perceptief en bovengemiddeld geschoold als ik ben, heb ik al een tijdje een hardnekkig vermoeden omtrent de dader, namelijk de… nou ja vrouw die naast me staat.

Dat ze niet van de magerste is blijkt uit het volgende: ze draait zich om en puur en alleen door de gigantische luchtverplaatsing die dit teweegbrengt waait aan de andere kant van het winkeltje een kiepraam dicht. Ik schrik van het lawaai en – minstens even hard – van de hallucinante hoeveelheid haar die op, rond en uit d’r neus groeit. Dat ze niet aantrekkelijk zou zijn, voorvoelde ik al op basis van de breedte van haar achterhoofd; dat ze er zo afgrijselijk zou uitzien, nou… dat verwacht niemand. Met andere woorden: alles wel beschouwd is het niet bepaald onredelijk van mij om aan te nemen, of op z’n minst te veronderstellen, dat de manifeste strontgeur van tussen háár bilspleten afkomstig is.

En toch wordt ze kwaad, alsof ik haar op de een of andere manier onheus heb bejegend. En staart ze mij totaal begoocheld aan, alsof ik een stuk gezond voedsel ben. Werkelijk, ze weet niet wat haar overkomt; haar in vet verzopen brein kan er gewoonweg niet bij dat ik via empirische inductie tot mijn volkomen verdedigbare veronderstelling ben gekomen.

Dus denk ik dat ze mij niet goed heeft begrepen.

‘Mevrouw?’ vraag ik, terwijl ik wild met m’n twee armen voor haar gezicht sta te zwaaien.

Het helpt niet veel. Ze blijft mij aanstaren met dat opengesperd, ovaalvormig mondgat waarvan de randen glanzen alsof ze net spek heeft gegeten – wat voor dit soort mensen wellicht meestal klopt – en met van die runderogen die – if anything – niks dan elementaire leegte uitstralen.

‘Hallo! Mevrouw! Hallo!’

Ik sta nu erg dicht tegen haar aan, ik voel haar stugge snorharen in mijn gladgeschoren kin prikken en ik voel haar neusadem die luidruchtig naar buiten komt gestoven en die… tja, naar Groente-, Fruit- en Tuinafval ruikt. Snel doe ik terug een stap achteruit, neem ik m’n bril af en knijp ik m’n ogen tot fijne spleetjes. Tevergeefs speur ik naar mimische roeringen in haar opgeblazen gelaat, waarover – nu ik er bij stil sta – over de gehele oppervlakte een dun filmpje smeerlapperij ligt. Kan het zijn dat dit opmerkelijke creatuur door al haar gezichtsporiën oorsmeer zweet?

‘Mevrouw! Hé, mevrouw!’

Ten einde raad rol ik m’n Corporate Lingo Weekly op tot een licht-conische matrak en tik ik er een paar keer voorzichtig mee op haar reusachtige hoofd. Enfin, voorzichtig… De eerste vier, vijf tikken raak ik haar nauwelijks aan, maar bij de zesde mep ik iets harder door. Het meest logge of halstarrigste beest ter wereld zou bij zo’n venijnige aanraking toch minstens een kik moeten geven (een poot opheffen, of met de kaken schudden), maar: niks. Geen beweging, geen spoor van bewustzijn.

Stilaan daagt het vermoeden dat deze ‘vrouw’ niet alleen elke inzichtelijke capaciteit ontbeert, maar dat zij – of: dat het amper over de fysiologische vereisten beschikt om als zoogdier te worden gekwalificeerd. Waar ben ik in hemelsnaam aan begonnen? Met welke slijkerige bodemsoort heb ik mij nu weer ingelaten? Welk abject, wie weet zelfs levensgevaarlijk monster heb ik in mijn leven toegelaten?!

Opgepast! Met knarsende knieën draait het zich terug om. Pivoteert het die voorhistorische romp terug in z’n originele stelling en een ruftige rukwind waait door m’n haren en snijdt me abrupt de adem af. Het trekt zich terug, de beperkte interesse in mij is helemaal weg, de schamele neurologische prikkels zijn vruchteloos afgestorven onder haar dikke, radiostille schedel.

Het heeft niks bijgedragen, het heeft niks geleerd. En dat wou het wellicht ook niet.

Dan zie ik plots hoe het zich ter hoogte van de bekken naar voor kantelt – net als een mens bukt dus –  en met verrassend accurate motoriek naar een tijdschrift grijpt. En zodra ik zie wélk tijdschrift ze in haar zompige klauw heeft, voel ik me opgelucht en bevrijd van angst, en is meteen ook het taxonomische vraagstuk opgelost: het is een Story.

 

Advertenties
Featured post

Zoals een jonge hond altijd nét niet tegen z’n eigen poten pist, zo zwalk ik door de kroeg met een volle pint waaruit bij elke stap een gulp bier gutst, maar altijd nét niet op m’n eigen broek of hemd. Het is druk en het volk is te posh voor mij. Als een bal in een flipperkas stuiter ik van het ene obstakel naar het volgende en ik ben zodanig verneukt dat ik niet door heb dat de mensen die ik zoek al ruim een uur geleden zijn vertrokken. Uiteindelijk word ik tegen de sigarettenautomaat gegooid en daar blijf ik staan, hangend, hijgend en elk spoor bijster.

Ik kijk rond, zoek naar referenties, maar de vodka brandt in mijn ogen en ik zie zo goed als niks. Elke tent in Leuven en omstreken ken ik als m’n eigen broekzak, godverdomme, waar ben ik?

Ik vraag het kwijlend aan een willekeurige passant die ik eerst brutaal naar me toetrek.

‘Ga naar huis kerel.’

Een indruk van een man, neen van een jongen die gekleed gaat in overwegend pastelkleurige tinten en die een frisse, succesvolle geur afscheidt.

‘Eerst zeggen waar ik ben, dan ga ik naar huis.’

Hij slaakt een vrouwelijke zucht, schudt z’n hoofd in ongeloof of walging, of medelijden, wie zal het zeggen, en zegt uiteindelijk: ‘Café Boulé.’

‘Dat kan niet!’

‘Oh nee? Waarom kan dat niet, denk je?’

‘In zo’n belachelijke flikkerkeet kom ik nooit!’

Ik rol de sigaret dicht en geef ze aan het meisje met de moeilijke naam.

‘Er hangt bloed aan,’ zegt ze.

Ik lik aan m’n lippen en proef ijzer. Ik haal m’n schouders op, zeg: ‘Sorry, zal ik ze zelf oproken?’

Vol ontzag staart ze naar de sigaret, die ze langzaam tussen haar smalle vingertoppen laat rollen.

‘Nee,’ fluistert ze, haar hals scheef en haar blik vastgepind op het shagje. ‘Ik rook jouw bloed wel op.’

Ik rol een tweede sigaret, steek ze op en geef dan het meisje vuur. Ze rookt traag en met gesloten ogen. De lantaarnpaal waartegen ze leunt projecteert een mat, melkwit schijnsel op haar ebbenhouten voorhoofd.

‘Wat was jouw naam ook weer?’ vraag ik.

‘Buthaynah.’

‘Bedankt om me wakker te maken.’

‘Nou, ik heb je niet meteen wakker gemaakt.’

‘Hoe zo?’

‘Ik heb eerst je portefeuille uit je zak gehaald, maar nadat ik je geld had geteld dacht ik: ik kan ‘em maar beter neuken.’

Terwijl hij lacht voelt hij een trekkende pijn aan z’n lip.

‘Wat heb je eigenlijk meegemaakt, denk je?’

‘Geen flauw idee.’

‘Gaan we ergens naartoe? Ik krijg een koude reet van hier op de stoep te zitten.’

‘Oké.’

‘Weet je hier een leuke kroeg in de buurt?’

‘Duidelijk niet, kijk maar naar m’n lip.’

‘In een andere buurt dan?’

‘Hangt een beetje van het tijdstip af.’

‘Het is half vier.’

‘Oké, dan weet ik wel iets. Volg mij.’

‘Mag ik ook gewoon naast je lopen?’

In café De Vrijheid zitten enkel nog drinkers van de laatste shift. De hardnekkigste soort; de rest is allang naar huis gespoeld. De tafels zijn vuil, de stoelen leeg, en aan de toog zitten een stuk of vijf mannen gebogen over een glas sterke drank. Boven elk terneergeslagen hoofd kringelen slierten zilverblauwe rook die tegen het lage plafond samenklitten tot een roerloos rookgordijn. Berlin van Lou Reed ligt op en hij zingt, nee gromt bijna onhoorbaar: ‘You’re right and I’m wrong. Hey babe, I’m gonna miss you now that you’re gone

Ik bestel twee glazen Jack Daniels, één ijsblokje, en rol opnieuw twee sigaretten. Het meisje wiens naam ik alweer vergeten ben zit naast mij, haar linkerellenboog op het toogvlak en haar hand onder haar hoofd, mij zijdelings aanstarend terwijl ik geduldig rol.

‘Merci Dré,’ zegt ik wanneer de bevriende barman de glazen serveert.

Ik geef haar een sigaret, steekt de tweede voorzichtig tussen m’n gehavende lippen en breng de brandende aansteker voorzichtig naar het meisje toe. Ze buigt langzaam voorover en ik mik het shagje in de vlam terwijl ik vol ontzag de gave contouren van haar gebeeldhouwde gezicht bestudeer. Even vergeet ik m’n eigen sigaret aan te steken.

‘Mag je hier nog roken?’ vraagt ze.

‘Op dit uur mag alles. Zeker hier.’

‘Kom je hier vaak?’

‘Niet vaak genoeg.’

Ze glimlacht en haar lippen zijn zo donkerrood dat het bijna zwart is. Ze legt haar sigaret op de rand van de toog en doet haar lange, groene jas uit. Ze draagt een wit T-shirt waarop GET IT? staat en dat redelijk ruim is en afhangt van haar rechterschouder. Ik gluur naar het roze bh-bandje en laat de whisky door mijn mond tuimelen. Het strakke vel van haar blote schouders weerspiegelt het licht van een versleten bureaulamp die Dré achter de toog naast z’n platenkast heeft staan.

Uit haar jaszak haalt ze een koperen kokertje en ze schroeft het dopje los. Ze tikt een slordig lijntje coke op de rug van haar vrije hand en snuift. Daarna strooit ze opnieuw een lijntje uit en brengt haar hand naar mijn gezicht en ik snuif en lik de rest van haar hand.

Het meisje drinkt gulzig haar glas leeg en terwijl ze met haar tong over haar dikke, druipende lippen glijdt bestelt ze tweemaal hetzelfde en ik voel de afdaling inzetten.

Door de korte luchtstootjes die ik met afgemeten regelmaat tegen m’n zeiknat gezwete rug voel opbotsen, weet ik ten eerste dat ik niet alleen in bed lig, en ten tweede dat zij met haar gezicht naar mij ligt, waardoor ik me niet durf omdraaien om te zien wie het is.

Volgens mij waren m’n ogen al veel langer open maar nu pas beginnen ze beelden te registreren. Ik herken de rommel, ik ben thuis, het is middag. Door het raam ziet ik de zon koninklijk hoog boven de sierlijke schoorstenen van de Leuvense brouwerij uittorenen; haar versmachtende hitte beukt tegen het glas. Er hangt geen zucht zuurstof in de kamer, toxisch zweet stroomt in dikke, stroperige beken van mijn voorhoofd, ik moet hier weg. Heel behoedzaam glijd ik uit het bed.

Het meisje slaapt. Ze ligt halvelings op haar buik, haar rechterbeen opgetrokken in een kleine hoek, net als haar rechterarm, als een verstild profiel van een hardloopster. Minuscule, opgebolde druppels zweet liggen willekeurig verspreid over haar naakte, donkerbruine lijf. Haar ravenzwarte haren, die gisteren stijl en gestroomlijnd tot halverwege haar hals hingen, lijken verschroeid tot een gigantische bol gekamde wol, die niets van het witte hoofdkussen zichtbaar laat.

Haar naam. Ze had een erg moeilijke naam.

 

Uit de koelkast grijp ik een halve literfles chemisch gekleurde sportdrank en trek daarmee naar de badkamer. Ik plof neer op de pot, laat kreunend m’n okerkleurige ochtendzeik neerklateren en zwelg ondertussen gulzig de fles leeg en de bucht is zo zoet dat m’n kaken binnenstebuiten draaien. Ik zucht voor ik de douchekraan openzwengel en stap zonder dralen onder de sputterende straal. Het ijskoude water snijdt eerst m’n adem volledig af, maar daarna voel ik hoe m’n longen zich hunkerend volzuigen en het verstilde bloed in m’n aderen in een stroomversnelling komt.

 

Met m’n fris gewassen lul speels voor mij uit wapperend wandel ik de woonkamer binnen en dan sta ik plots oog in oog met het meisje. Ineengedoken en gehuld in een limoengroen fleecedekentje zit ze op een stoel aan de keukentafel, een onaangestoken sigaret in haar hand.

‘Goedemorgen.’ Ik gord de handdoek om m’n midden, verberg m’n klos.

‘Middag bedoel je.’

‘Koffie?’

‘Oké.’

‘Mag ik een sigaret van je?’

‘Die is niet van mij, ik rook alleen tabak.’

‘Je hebt gisteren een pakje gekocht omdat je het beu was om telkens voor twee te rollen.’

‘Oh.

‘Vuur?’

‘Euhm, op het tafeltje misschien?’

Het vierkante salontafel is een slagveld. Ingedeukte blikjes Stella, een stuk of twee gebruikte condooms, een pakje lange vloeitjes, massa’s gemorste tabak, een lege zak wiet, een platenhoes van Berlin met restjes coke erop, een zwarte slip die hopelijk van haar is en niet van een vorige griet, en naast de uitpuilende asbak inderdaad een zwarte aansteker.

Het meisje neemt het vuur, steekt de sigaret op en gaat op haar rug in de lederen sofa liggen.

‘Fuck, het lijkt wel een miljoen graden hier,’ zucht ze en ze slaat het dekentje van haar lijf.

 

Ik kijk zwijgend naar haar naakte lichaam en de sigarettenrook die kunstig tussen haar vlezige lippen ontsnapt. Ik sta op, gooi de handdoek weg en kniel neer naast de zetel. Een hand onder haar nek, de andere op haar perfect gesculptuurde navelbuik.

‘Je had me koffie beloofd,’ kreunt ze.

‘Dit is beter.’

Met enkele korte schokjes vanuit haar lenden komt ze even later klaar, de opgebrande sigaret nog tussen haar vingers. Ze gooit de peuk achteloos op de salontafel en buigt vanuit de zetel naar mijn barstende lul.

Nadat ik duizelend in haar hete mond klaarkom vraagt ze of ik een joint wil rollen. Ik sta op, zak ei zo na door m’n wakke benen, en haal uit de laden van het tv-meubel een nieuwe zak wiet.

De namiddag vliegt voorbij. We roken ontelbare joints, snuiven coke, neuken nog een paar keer, stappen wel vijf keer samen in de douche, vallen af en toe in slaap en doorploegen mijn hele platencollectie. Soms verstrijken er uren zonder dat we spreken en liggen we gewoon naakt naast elkaar, te wachten tot er eentje opnieuw geil genoeg is om de ander te verleiden. We eten niks, drinken alleen acht flessen ijskoud mineraalwater leeg. Koffie wordt nooit gezet.

 

Het is donker wanneer de allerlaatste lijn coke uitgewerkt raakt. Ik gaaf haar de joint door en ze zegt: ‘Goeie wiet, vanwaar heb je die?’

‘Een of andere dealer.’

‘Oh.’

‘Super Jack.’

‘Welke dealer noemt zich nu Super Jack?’

‘Het is de naam van de wiet. De dealer heet Vincent.’

Ik weet nog altijd haar naam niet, of niet meer.

‘Jouw naam, wat betekent die eigenlijk?’

‘Dat vroeg je gisteren ook al. Het is Arabisch voor ‘met een mooi lichaam’. De drager van de naam is een avonturier, een vrijgevochten ziel die zich door niets of niemand aan banden laat leggen.’

‘Dan heb je je naam niet gestolen.’

Ik rol me op haar en duw m’n kruis stevig tegen dat van haar, waarop ze een zacht gilletje slaakt.

Nadat we die laatste keer geneukt hadden, stond ze plots op, kleedde ze zich aan en was ze weg. Geen telefoonnummer, geen adres. Ze liet niks achter behalve haar geur die nog altijd door het appartement drijft terwijl ik mij rond middernacht klaarmaak om opnieuw te gaan drinken.

Buiten is het eindelijk koeler geworden. De nacht lonkt, elke kroeg die ik passeer smeekt mij naar binnen omdat ze weten dat mijn dorst onlesbaar is. Ik stap ergens binnen, bestel bier en whiskey aan de toog en ik drink gulzig. Bullet with Bufferly Wings van Smashing Pumkins scheurt door de boxen en ik kijk rond, zie al die jonge, zinderende dieren dansen, drinken, lachen, smachten, en ik ben klaar. Ik daal opnieuw af.

 

Lees

Nat?

Lees

lees

Lees

Lees

Lees

cropped-logo

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑